C.i.cr. · Wetboek van Strafvordering (art. 1–…)
C.i.cr. Art. 254
Hoofdstuk V. [1 Procedure voorafgaand aan de zitting ten gronde]1 — Afdeling 1. [1De ambtsverrichtingen van de voorzitter]1
Ten laatste vijftien dagen na de dagvaarding om te verschijnen op de preliminaire zitting vergewist de voorzitter er zich van dat de beschuldigde een raadsman heeft gekozen om hem in zijn verdediging bij te staan. Indien dit niet het geval is, voegt hij hem, in overleg met de stafhouder, dadelijk een raadsman toe, op straffe van nietigheid van alles wat zal volgen.
Die toevoeging wordt als ongedaan beschouwd en de nietigheid wordt niet uitgesproken, indien de beschuldigde een raadsman kiest.
De voorzitter kan de beschuldigde ondervragen. In dat geval wordt de ondervraging vastgesteld bij een proces-verbaal dat wordt ondertekend door de voorzitter, de griffier en de beschuldigde.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2009-12-21/14, art. 48, 020; Inwerkingtreding : 21-01-2010>
- (2)<W 2019-05-05/10, art. 44, 037; Inwerkingtreding : 03-06-2019>