C.i.cr. · Wetboek van Strafvordering (art. 1–…)
C.i.cr. Art. 303
HOOFDSTUK III. — Onderafdeling 6. [1 De behandeling ter terechtzitting]1
§ 1. De volgende personen worden niet toegelaten om te getuigen :
1° de vader, de moeder, de grootvader, de grootmoeder en de andere bloedverwanten in de opgaande lijn van de beschuldigde of van een van de medebeschuldigden die aanwezig zijn en in hetzelfde debat betrokken zijn;
2° de zoon, de dochter, de kleinzoon, de kleindochter en de andere bloedverwanten in de nederdalende lijn;
3° de broeders en de zusters;
4° de aanverwanten in dezelfde graden;
5° de echtgenoten, zelfs na de scheiding of echtscheiding en de wettelijk samenwonenden, zelfs nadat zij hun wettelijke samenwoning hebben beëindigd;
6° kinderen onder de leeftijd van vijftien jaar.
§ 2. Het horen van de personen vermeld in § 1 kan geen nietigheid teweegbrengen wanneer noch de procureur-generaal, noch de burgerlijke partij, noch de beschuldigde zich ertegen verzet hebben dat zij gehoord worden.
In geval van verzet van de procureur-generaal of van één of meer partijen, kan de voorzitter die personen buiten eed horen. Hun verklaringen worden als gewone inlichtingen beschouwd.
§ 3. Kinderen onder de leeftijd van vijftien jaar en wettelijk ontzetten mogen nooit onder eed worden gehoord.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2009-12-21/14, art. 108, 020; Inwerkingtreding : 21-01-2010>