C.i.cr. · Wetboek van Strafvordering (art. 1–…)
C.i.cr. Art. 462
TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. — HOOFDSTUK I. - VALSHEID.
Indien het hof of een rechtbank, bij het onderzoek van een geding, zelfs van een burgerlijk geding, aanwijzingen vindt omtrent een valsheid en omtrent de persoon die ze gepleegd heeft, doet de ambtenaar belast met het openbaar ministerie of de voorzitter de stukken toekomen aan (de procureur des Konings) bij de onderzoeksrechter, hetzij van de plaats waar het misdrijf schijnt gepleegd te zijn, hetzij van de plaats waar de verdachte mocht worden gevat, en hij kan zelfs een bevel tot medebrenging verlenen. <W 10-10-1967, art. 156>