C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)
C.jud. Art. 360ter
BOEK II. - GERECHTELIJKE AMBTEN. — TITEL III. [1 - Wedden, lonen, werkingskosten en voordelen]1
(nieuwe) <ingevoegd bij W 2002-12-27/30, art. 7; Inwerkingtreding : 01-10-2002> Voor het vaststellen van de nuttige anciënniteit bedoeld in de artikelen 360 en 360bis, worden in aanmerking genomen :
1° de periode gedurende dewelke een ambt als werkend magistraat of als magistraat- plaatsvervanger is uitgeoefend en waarvoor een wedde of een vergoeding is toegekend;
2° de prestaties bedoeld in artikel 365, § 2.
Bij elke benoeming of aanwijzing, wordt de wedde van de magistraat vastgesteld overenkomstig de geldelijke loopbaan verbonden aan de nieuwe uitgeoefende functies, zoals bepaald door de artikelen 355, 360 en 360bis, in functie van de nuttige anciënniteit bereikt op het ogenblik van die benoeming of die aanwijzing.
De weddeverhogingen bedoeld in artikel 360 en de weddebijslagen bedoeld in artikel 360bis gaan in op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de nuttige anciënniteit wordt verworven.
De tijd dat de belanghebbende zijn wedde niet heeft genoten, wordt niet meegerekend.