C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)
C.jud. Art. 373
HOOFDSTUK Iquater. [1 - Voordelen toegekend aan de referendarissen bij het Hof van Cassatie.]1 — Afdeling III. - Toelagen en premies. <ingevoegd bij W 2007-04-25/64, art. 140; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
<W 2007-04-25/64, art. 141, 155; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Toegekend worden :
1° een weddebijslag van 4214,19 euro aan de griffier die de onderzoeksrechter gedurende minstens een maand bijstaat;
1° /1 een weddebijslag van 2602,89 euro aan de griffier die de bij de jeugdrechtbank aangewezen rechter van de familie- en jeugdrechtbank gedurende minstens een maand bijstaat;
2° een premie van 123,95 euro per begonnen periode van vijf zittingsdagen per zaak aan de griffier die gedurende de zitting van het hof van assisen het ambt van griffier van het hof van assisen uitoefent;
3° een maandelijkse toelage van 110 euro aan de leden van de griffies, van de parketsecretariaten en de personeelsleden van niveau A die het bewijs leveren van de grondige kennis van de tweede taal, zoals bepaald in artikel 53, § 6, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, op voorwaarde dat zij hun ambt uitoefenen bij een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten of van de leden van de griffie of het parketsecretariaat krachtens de voornoemde wet het bewijs moeten leveren van de kennis van meer dan een landstaal of zij tewerkgesteld zijn bij een federale overheidsdienst, commissie, instelling of dienst waarvan het ambtsgebied het ganse land bestrijkt;
4° een maandelijkse toelage van 60 euro aan de leden van de griffies, van de parketsecretariaten en de personeelsleden van niveau A die het bewijs leveren van de functionele kennis van de tweede taal, zoals bepaald in artikel 53, § 6, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, op voorwaarde dat zij hun ambt uitoefenen bij een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten of van de leden van de griffie of het parketsecretariaat krachtens de voornoemde wet het bewijs moeten leveren van de kennis van meer dan een landstaal of zij tewerkgesteld zijn bij een federale overheidsdienst, commissie, instelling of dienst waarvan het ambtsgebied het ganse land bestrijkt.
5° een jaarlijkse directietoelage van 1 000 euro aan de leden van de griffie en het parketsecretariaat, overeenkomstig de voorwaarden bepaald voor de toekenning ervan aan de personeelsleden van niveau B, bedoeld in artikel 177, § 2.
§ 2. Indien het lid van de griffie, van het parketsecretariaat of het personeelslid van niveau A voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van meerdere toelagen voor de kennis van dezelfde taal krijgt hij slechts de hoogste toelage.
Als hij voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van meerdere toelagen voor de kennis van twee talen krijgt hij de twee toelagen. Het totaalbedrag van deze toelagen mag echter niet meer bedragen dan 150 % van de hoogste toelage.
§ 3. De toelage bedoeld in paragraaf 1, 3°, 4° en 5°, wordt enkel toegekend aan de leden van de griffies, van de parketsecretariaten, en de personeelsleden van niveau A die in dienstactiviteit zijn en een wedde genieten. De toelage is niet langer verschuldigd als niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
De toelage wordt tegelijk met de wedde vereffend. Bij onvolledige prestaties wordt zij naar rata van de geleverde prestaties uitbetaald.
§ 4. De taaltoelage bedoeld in paragraaf 1, 3° en 4°, is niet verschuldigd in het geval van onderbreking van de ambtsuitoefening van meer dan dertig opeenvolgende werkdagen. De schorsing van de toelage gebeurt met terugwerkende kracht op de eerste dag van de afwezigheid.
De volgende afwezigheden worden niet beschouwd als een onderbreking van de ambtsuitoefening :
1° een ouderschapsverlof, een adoptieverlof, een opvangverlof, een pleegzorgverlof en een verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap;
2° het jaarlijks vakantieverlof;
3° de afwezigheid door een ziekte of disponibiliteit, een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte;
4° een loopbaanonderbreking om palliatieve zorgen of medische bijstand te verstrekken en loopbaanonderbreking voor erkende mantelzorg.
In afwijking van paragraaf 3, tweede lid, wordt de toelage niet verminderd bij een verlof wegens verminderde prestaties die gewettigd zijn door een chronische ziekte, een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.
§ 5. De directietoelage bedoeld in paragraaf 1, 5°, is niet verschuldigd in het geval van onderbreking van de ambtsuitoefening van meer dan dertig opeenvolgende werkdagen. De schorsing van de toelage gebeurt met terugwerkende kracht op de eerste dag van de afwezigheid.
De volgende afwezigheden worden niet beschouwd als een onderbreking van de ambtsuitoefening :
1° een ouderschapsverlof en een verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap;
2° een jaarlijks vakantieverlof;
3° een afwezigheid door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2012-07-19/36, art. 31, 178; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
- (2)<W 2014-04-10/73, art. 46, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
- (3)<W 2013-07-30/23, art. 124, 192; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
- (4)<W 2022-12-26/22, art. 55, 247; Inwerkingtreding : 22-01-2023>
- (5)<W 2026-07-15/03, art. 50, 272; Inwerkingtreding : 01-08-2026>