C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 1386–1675)
C.jud. Art. 1432
TITEL II. - BEWAREND BESLAG. — HOOFDSTUK III. - Bewarend beslag op onroerend goed.
Aan het bewarend beslag op onroerend goed moet geen bevel voorafgaan.
Het beslag wordt gedaan bij deurwaardersexploot, dat aan de schuldenaar wordt betekend en, op straffe van nietigheid, bevat:
1° een afschrift van het verzoekschrift en van de beschikking waarbij het beslag wordt toegestaan, of, indien het nog niet is betekend, van het vonnis dat als toelating geldt, zoals bepaald is in artikel 1414;
2° vermelding van de identiteit van de schuldenaar, met naam, voornamen ..., woonplaats en geboorteplaats en datum;
3° nauwkeurige aanwijzing van de in beslag genomen goederen overeenkomstig artikel 1568;
4° het uittreksel uit de kadastrale legger.
Binnen vierentwintig uur na de handeling van beslag, zendt de optredende gerechtsdeurwaarder, bij ter post aangetekende brief, twee exemplaren van een bericht aan de ontvanger van belastingen in wiens ambtsgebied de eigenaar of de vruchtgebruiker van het goed zijn woonplaats heeft of zijn hoofdverblijfplaats, alsmede aan de ontvanger van belastingen van de plaats waar het goed gelegen is. Het bericht bevat aanduiding van het inbeslaggenomen goed en van de som ten belope waarvan beslag is gelegd. Bij niet-naleving van deze bepaling kan de gerechtsdeurwaarder er persoonlijk toe gehouden zijn de gewaarborgde belastingen te betalen, echter slechts tot beloop van het bedrag waarvoor beslag is gelegd.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2018-12-21/09, art. 131, 113; Inwerkingtreding : 10-01-2019>