Rechtsbibliotheek en dossieranalyse · Oostenrijk · België · Europese Unie
LAWxPERT Aanmelden Gratis account

C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 1676–1723)

C.jud. Art. 1680

TITEL IV. Collectieve schuldenregeling. <Ingevoegd bij W 1998-07-05/57, art. 2, 024; Inwerkingtreding : 01-01- — Hoofdstuk I. [1 Algemene bepalingen]1

Van krachtOfficiële tekst

FRNL

§ 1. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend zoals in kort geding stelt de arbiter aan, op eenzijdig verzoekschrift van de meest gerede partij, overeenkomstig artikel 1685, §§ 3 en 4.

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend zoals in kort geding na dagvaarding, beslist tot vervanging van de arbiter, overeenkomstig artikel 1689, § 2.

Tegen de beslissingen tot aanstelling of tot vervanging van de arbiter kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.

Evenwel kan tegen deze beslissing hoger beroep worden ingesteld wanneer de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg besliste om geen aanstelling te doen.

§ 2. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend zoals in kort geding beslist, na dagvaarding, over het ontslag van een arbiter overeenkomstig artikel 1685, § 7, over de wraking van een arbiter overeenkomstig artikel 1687, § 2, en over het in gebreke blijven of de onbekwaamheid van de arbiter in het geval voorzien in artikel 1688, § 2. Tegen zijn beslissing kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.

§ 3. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend zoals in kort geding kan onder de voorwaarden voorzien in artikel 1713, § 2, aan de arbiter een termijn stellen voor het doen van zijn uitspraak. Tegen zijn beslissing kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.

§ 4. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend zoals in kort geding neemt , na dagvaarding, alle maatregelen die nodig zijn voor de bewijsverkrijging in overeenstemming met artikel artikel 1708. Tegen zijn beslissing kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.

§ 5. Tenzij in de gevallen bedoeld in de paragrafen 1 tot 4, en in de artikelen 1683 en 1698, is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om te beslissen over de vorderingen bedoeld in het zesde deel van dit Wetboek. Zij beslist in eerste en laatste aanleg.

§ 6. Onder voorbehoud van de artikelen 1696, § 1, en 1720, § 2, vallen de in het zesde deel van dit Wetboek bedoelde vorderingen onder de territoriale bevoegdheid van de rechter wiens zetel die is van het hof van beroep met in zijn rechtsgebied de plaats waar de arbitrage is bepaald.

Wanneer die plaats niet bepaald is, of niet in België is gelegen, is de rechter territoriaal bevoegd wiens zetel die is van het hof van beroep met in zijn rechtsgebied de rechtbank die bevoegd zou zijn geweest kennis te nemen van het geschil, indien het niet aan arbitrage was onderworpen.

(NOTA : De wijziging aangebracht door W 2013-03-17/14, art. 203, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2014, is niet uitgevoerd kunnen worden ; dit artikel werd reeds volledig vervangen bij W 2013-06-24/03, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2013)

Wijzigingsgeschiedenis
  • (1)<W 2013-06-24/03, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  • (2)<W 2016-12-25/14, art. 93, 007; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  • (3)<W 2024-03-28/60, art. 110, 009; Inwerkingtreding : 08-04-2024>