C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 1724–1737)
C.jud. Art. 1734
TITEL IV. Collectieve schuldenregeling. <Ingevoegd bij W 1998-07-05/57, art. 2, 024; Inwerkingtreding : 01-01- — HOOFDSTUK III. - De gerechtelijke bemiddeling. <Ingevoegd bij W 2005-02-21/36, art. 18; Inwerkingtreding :
<Ingevoegd bij W 2005-02-21/36, art. 18; Inwerkingtreding : 30-09-2005> § 1. In elke stand van het geding, alsook in kort geding, behalve voor het Hof van Cassatie en voor de arrondissementsrechtbank, kan de rechter voor wie een zaak hangende is, op gezamenlijk verzoek van de partijen of op eigen initiatief maar met instemming van de partijen, een bemiddeling bevelen, zolang de zaak niet in beraad is genomen.
Wanneer de rechter van mening is dat een verzoening tussen de partijen mogelijk is, en voor zover de redelijke termijn om tot een gerechtelijke beslissing te bekomen niet in het gedrang komt, kan hij, ambtshalve of op verzoek van een van de partijen, ... na de partijen gehoord te hebben, een bemiddeling bevelen. Indien alle partijen daartegen gekant zijn, kan de rechter geen bemiddeling bevelen.
Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, dan mag de rechter geen bemiddeling bevelen zonder zich ervan te vergewissen dat die laatste partij daar vrij in toestemt. Daartoe verzoekt hij om de mondelinge toestemming van die laatste partij, in afwezigheid van de andere partij.
§ 1/1. De partijen of, in afwezigheid van partijen, hun advocaat kunnen de rechter gezamenlijk vragen om de bemiddelaar of de bemiddelaars die zij voordragen aan te wijzen. Tenzij de door de partijen voorgedragen bemiddelaar of bemiddelaars niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit verzoek in.
Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, gaat de rechter over tot de aanwijzing van een of meerdere bemiddelaars, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, § 2, bij voorkeur op basis van een lijst met alle bemiddelaars die is opgesteld door de Federale bemiddelingscommissie overeenkomstig artikel 1727, § 2, 10°. De rechter kiest een of meerdere bemiddelaars die geschikt zijn in het licht van de aard van het geschil tussen de partijen en die, voor zover mogelijk, gevestigd zijn in de buurt van de woonplaats van de partijen.
In geschillen die onder hun respectieve bevoegdheid vallen, en voor zover zij niet reeds kennis hebben genomen van het geschil, kunnen de dienst voor bemiddeling in financiële aangelegenheden, opgericht bij artikel 128/1 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, of de ombudsman van de verzekeringen, opgericht bij artikel 322 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, door de rechter worden aangesteld, hetzij op verzoek van de partijen, hetzij op zijn initiatief met instemming van de partijen, om te trachten via bemiddeling te komen tot een oplossing van het geschil. De vertegenwoordigers van de dienst voor bemiddeling in financiële aangelegenheden en de ombudsman van de verzekeringen hoeven daartoe niet als bemiddelaar te zijn erkend conform de in artikel 1726 bedoelde procedure.
§ 2. De beslissing die de partijen beveelt om het geschil te trachten op te lossen door een bemiddeling bedoeld in paragraaf 1, vermeldt de naam en de hoedanigheid van de erkende bemiddelaar of erkende bemiddelaars, legt de duur vast van hun opdracht, zonder dat die de termijn van zes maanden mag overschrijden en stelt de zaak vast op de eerst nuttige datum na het verstrijken van deze termijn is.
§ 3. Uiterlijk tijdens de in § 2 bedoelde zitting informeren de partijen de rechter over de afloop van de bemiddeling. Indien ze niet tot een akkoord zijn gekomen, kunnen ze in onderlinge overeenstemming om een nieuwe termijn verzoeken of vragen dat de procedure wordt voortgezet.
§ 4. De partijen kunnen om een bemiddeling verzoeken, hetzij in de akte van rechtsingang, hetzij tijdens de zitting, hetzij bij een eenvoudig schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. In dat laatste geval wordt de rechtsdag bepaald binnen vijftien dagen na het verzoek.
De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op en in voorkomend geval hun raadsman bij gewone brief. Indien het over een gezamenlijk verzoek van de partijen gaat, worden zij, en in voorkomend geval hun raadsman, bij gewone brief opgeroepen.
§ 5. Wanneer de partijen er gezamenlijk om verzoeken dat een bemiddeling wordt bevolen, worden de proceduretermijnen die hen werden verleend geschorst vanaf de dag dat zij dat verzoek doen.
In voorkomend geval kunnen de partijen of één van hen om nieuwe termijnen verzoeken voor de instaatstelling van de zaak tijdens de in § 2 of in artikel 1735, § 5, bedoelde zitting.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2015-10-19/01, art. 49, 004; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
- (2)<W 2018-06-18/03, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 12-07-2018>
- (3)<W 2022-11-06/01, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2022>
- (4)<W 2022-12-06/02, art. 42, 010; Inwerkingtreding : 31-12-2022>
- (5)<W 2024-05-15/03, art. 86, 012; Inwerkingtreding : 07-06-2024>
- (6)<W 2025-12-11/13, art. 147, 013; Inwerkingtreding : 03-01-2026>