C. nationalité · 28 JUNI 1984. - Wetboek van de Belgische nationaliteit
C. nationalité Art. 1
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
§ 1. In dit Wetboek wordt verwerving van de nationaliteit verkrijging of toekenning genaamd al naargelang zij al dan niet afhangt van een vrijwillige handeling van de belanghebbende met het oog op deze verwerving.
§ 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1° hoofdverblijfplaats : de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;
2° vreemdelingenwet : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
3° regularisatiewet : de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk;
4° gewichtige feiten eigen aan de persoon zijn, met name :
a) het feit zich te bevinden in een van de gevallen bedoeld in de artikelen 23, 23/1 of 23/2;
b) het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd;
c) het feit dat de identiteit of hoofdverblijfplaats onmogelijk kan worden gecontroleerd of de identiteit niet kan worden gewaarborgd;
d) het feit dat aan de aanvrager, omwille van eender welke vorm van sociale of fiscale fraude, door de rechter een definitieve straf is opgelegd die in kracht van gewijsde is gegaan.
5° bewijs van kennis van één van de drie landstalen : minimale kennis van één van de drie landstalen die gelijk is aan het niveau A2 van het Europees Referentiekader voor Talen. Dit bewijs dient te worden geleverd aan de hand van de bewijsmiddelen bepaald in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Voor een analfabeet in de zin van dit Wetboek is enkel het bewijs van een mondelinge kennis die gelijk is aan het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, vereist;
6° werkdag : de werkdag zoals bedoeld in artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek;
7° arbeidsdag : de arbeidsdagen en de met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen in de zin van artikel 37 en 38 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, met dien verstande dat de in het buitenland verrichte arbeid en de in het buitenland gelijkgestelde dagen niet worden meegerekend. Ingeval de vreemdeling in de referentieperiode van vijf jaar enerzijds als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en anderzijds, als zelfstandige in hoofdberoep heeft gewerkt, wordt ieder als zelfstandige in hoofdberoep gewerkt kwartaal voor 78 arbeidsdagen in rekening gebracht. Deeltijdse arbeid, die in uren wordt uitgedrukt, wordt in aanmerking genomen volgens de formule die wordt gebruikt met toepassing van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de ministeriële besluiten die daaraan uitvoering geven;
8° sociale fraude : iedere inbreuk op een sociale wetgeving;
9° fiscale fraude : iedere inbreuk op de fiscale wetboeken of op de ter uitvoering ervan genomen besluiten die wordt begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden;
10° analfabeet: de persoon die de vereiste mondelinge taalkennis bezit maar niet over de taalkundige basiscompetenties en inzichten beschikt, waardoor hij de schriftelijke kennis gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen niet kan verwerven, zelfs door deel te nemen aan een door de bevoegde gemeenschapsoverheid daartoe ingerichte opleiding. De inachtneming van deze voorwaarden wordt bevestigd door de bevoegde gemeenschapsoverheid.
De lijst van gewichtige feiten eigen aan de persoon die in het 4° bedoeld worden, kan aangevuld worden door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
(NOTA : bij arrest nr. 96/2024 van 19-09-2024 (2024-09-19/01, B.St. 17-10-2024, p. 121929), heeft het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024 " houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis ", en artikel 12bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, in zoverre die bepalingen niet voorzien in een uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van een van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen.)
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2012-12-04/04, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- (2)<W 2015-07-20/08, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 15-08-2015>
- (3)<W 2024-03-28/60, art. 122, 022; Inwerkingtreding : 08-04-2024>