C. nationalité · 28 JUNI 1984. - Wetboek van de Belgische nationaliteit
C. nationalité Art. 7bis
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
§ 1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit Wetboek inzake verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit, moet de vreemdeling zijn hoofdverblijfplaats in België hebben gevestigd op grond van een wettelijk verblijf, en dit zowel op het ogenblik van het indienen van zijn verzoek of verklaring als gedurende de onmiddellijk hieraan voorafgaande periode. Zowel het wettelijk verblijf als het hoofdverblijf dienen ononderbroken te zijn.
§ 2. Onder wettelijk verblijf wordt verstaan :
1° wat het ogenblik van de indiening van zijn verzoek of verklaring betreft : toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of om er zich te vestigen op basis van de vreemdelingenwet;
2° wat de voorafgaande periode betreft : toegelaten of gemachtigd zijn om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de vreemdelingenwet of de regularisatiewet.
Voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden bedoeld in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag en de datum waarop hun dat recht op verblijf is toegekend, gelijkgesteld aan een gemachtigd verblijf in de zin van paragraaf 2, 2°.
Voor de vluchtelingen erkend overeenkomstig het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 wordt de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag tot internationale bescherming en de datum van de erkenning van het statuut van vluchteling door de bevoegde minister, gelijkgesteld aan een gemachtigd verblijf in de zin van paragraaf 2, 2°.
Voor de echtgenoten van ambtenaren van de buitenlandse carrière of van de consulaire carrière, aangesteld in een diplomatieke zending of consulaire beroepspost en, mutatis mutandis, voor de echtgenoten van gemeenschaps- en gewestvertegenwoordigers in het buitenland, worden gelijkgesteld aan een wettelijk verblijf in de zin van het eerste lid, 2°, de periodes die, in het kader van de aanstellingen eigen aan de carrière van hun echtgenoot, in het buitenland worden doorgebracht onmiddellijk na of voor een periode die in hetzelfde verband op het Belgische grondgebied wordt doorgebracht. De Koning bepaalt, op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, welke documenten vereist zijn ter staving van het feit dat het verblijf van de aanvrager in het buitenland daadwerkelijk vereist was door de aanstellingen eigen aan de carrière van zijn echtgenoot.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, welke documenten in aanmerking komen als bewijs van het in het eerste lid bedoelde verblijf.
§ 3. In de gevallen bepaald in dit Wetboek wordt het ononderbroken karakter van het verblijf bedoeld in § 2 niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van hoogstens zes maanden, voor zover deze afwezigheden in totaal de duur van een vijfde van de in dit Wetboek vereiste termijnen voor verkrijging van de nationaliteit niet overschrijden.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2012-12-04/04, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
- (2)<W 2018-06-18/03, art. 138, 017; Inwerkingtreding : 12-07-2018>
- (3)<W 2024-05-15/15, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2025>