Rechtsbibliotheek en dossieranalyse · Oostenrijk · België · Europese Unie
LAWxPERT Aanmelden Gratis account

Code de la démocratie locale et de la décentralisation (Text · 22 APRIL 2004. - Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie (Tekst vervangen door Erratum, zie B.St. 22-03-2005, p. 12597-12721)

Code de la démocratie locale et de la décentralisation (Text Art. L2232-1

TITEL III. - Financiën van de provincies — HOOFDSTUK II. - Lasten en uitgaven

Van krachtOfficiële tekst

FRNL (vertaling)

§ 1. De provincieraad is verplicht elk jaar op de begroting van uitgaven te brengen alle uitgaven die door de wetten en decreten aan de provincie zijn opgelegd en inzonderheid de volgende :

1° De wedden van de directeur-generaal , van de financieel directeur en van de leden van het provinciecollege alsook hun reiskostenvergoedingen;

2° De uitgaven betreffende de kathedrale kerken, de bischopshuizen en de bischoppelijke seminaries overeenkomstig de decreten van 18 germinal jaar X en 30 december 1809, alsmede die betreffende de islamitische en orthodoxe erediensten zoals bedoeld in artikel 19bis van de wet van 4 maart 1870;

3° de huur, de belastingen, het onderhoud van de gebouwen van de provincie of in gebruik bij de provincie;

4° De vaststaande en opeisbare schulden van de provincie, alsmede de schulden die zij moet voldoen ten gevolge van tegen haar uitgesproken rechterlijke veroordelingen;

5° de kosten gebonden aan de provinciale comptabiliteit;

6° De kosten van de raadsvergaderingen en de aan de raadsleden toegekende presentiegelden en vergoedingen voor reiskosten, alsmede de vergoeding toegekend aan de vertrouwenspersonen bedoeld in artikel L2212-8;

7° De hulpgelden, aan de gemeenten te verlenen voor de grove herstellingen aan de gemeentegebouwen;

8° De gelden bestemd om toevallige of onvoorziene uitgaven van de provincie te bestrijden;

9° de delen van de huur en van het onderhoud van de gebouwen waarin de diensten van de gouverneur zijn gelegen alsmede van het onderhoud en van de hernieuwing van het meubilair en van de werkingskosten die betrekking hebben op de uitoefening van de bevoegdheden van provinciaal belang.

10° de uitgaven die rechtstreeks of onrechtstreeks worden toegekend aan de gemeenten, krachtens artikel L2241-1, voor de algemene financiering in de zin van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

11° een extra uitgave ten gunste van de rechtspersonen bedoeld in artikel L2232-1/1, § 2, die in totaal gelijk is aan de uitgave bedoeld in artikel 80 van het programmadecreet van 19 december 2025, zoals opgenomen in de definitieve begroting 2029, aangepast aan het evolutiepercentage berekend overeenkomstig artikel L1332-1, § 4, of, indien dit hoger is, aan een coëfficiënt gelijk aan de som van de factoren Yc bedoeld in artikel L2241-3, § 1, van de gemeenten van het grondgebied van de betrokken provincie.

§ 2. Voor de interpretatie van lid 1, 11°, betreffende de factor Yc is artikel L2241-3, § 2, lid 2, niet van toepassing.

§ 3. De Regering, die optreedt als toezichthoudende overheid zoals bedoeld in artikel L3111-2, lid 1, 4°, deelt uiterlijk op 31 juli van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar een initiële begrotingsraming mee van de bedragen bedoeld in lid 1, 10° en 11°, die de provincies in hun oorspronkelijke begroting voor het begrotingsjaar moeten opnemen.

De toezichthoudende overheid deelt uiterlijk op 28 februari van het begrotingsjaar de definitieve begrotingsraming mee die de provincies in het kader van een begrotingswijziging opnemen.

Wijzigingsgeschiedenis
  • (1)<DWG 2013-04-18/19, art. 46, 040; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  • (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 431, 074; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  • (3)<DWG 2024-12-18/02, art. 3, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2025>
  • (4)<DWG 2025-12-19/13, art. 47, 122; Inwerkingtreding : 01-01-2026>