Décret portant le Code flamand de la Fiscalité (cité comme C Art. 5.0.0.0.11
TITEL 5. - Opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen
De belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die nog niet zijn voldaan op 31 december 2014, en waarvoor de termijnen voor invordering die op die datum van toepassing zijn, nog niet verstreken zijn, kunnen in afwijking van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 4/1 en § 4/2, worden geheven tot en met 31 december 2019.
De datum, vermeld in het eerste lid, wordt verlengd tot en met 31 december 2023 in geval van inbreuk op de bepalingen van het Wetboek van Successierechten of het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals dat van toepassing is wat betreft het Vlaamse Gewest voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 6°, 7° en 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, begaan voor 1 januari 2015, of in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, begaan na 31 december 2014, en gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
Voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die op 31 december 2014 vatbaar zijn voor teruggave en waarvoor volgens de termijn die op dat ogenblik van toepassing is, de eis tot teruggave nog niet is verjaard, worden de termijnen van vijf jaar, vermeld in artikel 3.6.0.0.1 en 3.6.0.0.6, vervangen door een termijn die eindigt op 31 december 2016.
Voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die op 31 december 2014 vatbaar zijn voor teruggave en waarvoor volgens de termijn die op dat ogenblik van toepassing is, de eis tot teruggave nog niet is verjaard, worden de termijnen van vijf jaar, vermeld in artikel 3.6.0.0.1 en 3.6.0.0.4, vervangen door een termijn die eindigt op 31 december 2019.
In afwijking van artikel 5.0.0.0.1, 4°, worden voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, de procedures die vóór 1 januari 2015 zijn opgestart in toepassing van artikel 20 Wb. Succ., afgewerkt volgens de regels vermeld in dat artikel.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<Ingevoegd bij DVR 2014-12-19/97, art. 323, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
Verwijst naar
- Décret portant le Code flamand de la Fiscalité (cité comme C Art. 20
- Décret portant le Code flamand de la Fiscalité (cité comme C Art. 3
- Décret portant le Code flamand de la Fiscalité (cité comme C Art. 3.3.3.0.1
- Décret portant le Code flamand de la Fiscalité (cité comme C Art. 3.6.0.0.1
- Décret portant le Code flamand de la Fiscalité (cité comme C Art. 3.6.0.0.4
- Décret portant le Code flamand de la Fiscalité (cité comme C Art. 3.6.0.0.6
- Décret portant le Code flamand de la Fiscalité (cité comme C Art. 5.0.0.0.1