Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé Art. 313
HOOFDSTUK II. - Centra voor levens- en gezinsvragen — Afdeling 6. - [1 Subsidiëring]1
§ 1. De enveloppe bedoeld in de artikelen 218/6, § 1, eerste lid, 1°, en 218/7 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedraagt 62.500,00 euro per voltijds equivalent.
Het voltijds equivalent wordt berekend volgens de uurmodaliteiten van kracht in elke dienst.
Het forfaitair bedrag dekt de bezoldiging, die uit de volgende elementen bestaat :
1° de loonkosten, incluis, behalve de nettobezoldiging, de sociale bijdragen, het vakantiegeld, de eindejaarspremie, de haard- en standplaatsvergoeding;
2° de wetverzekering;
3° de onkosten i.v.m. de arbeidsgeneeskunde;
4° de bijdrage van de werkgever voor de toekenning van maaltijdcheques, in voorkomend geval;
5° de tegemoetkoming van de werkgever in de reiskosten tussen woon- en werkplaats voor zover gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer of ongeacht het gebruikte vervoermiddel, op voorwaarde dat in het kader van het paritair comité waarvan de werkgever deel uitmaakt, een verplichting is vastgelegd om bij te dragen in deze reiskosten tussen woon- en werkplaats;
6° de tenlasteneming van financieringscomplementen voor rekening van de werkgever in het kader van de plannen inzake de werkloosheidsbestrijding of van andere stelsels;
7° het vertrekgeld, met uitzondering van de kosten i.v.m. een niet gepresteerde vooropzeg.
§ 2. De enveloppe bedoeld in de artikelen 218/6, § 1, eerste lid, 2°, en 218/8 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedraagt 40.000 euro. Deze enveloppe is bestemd voor salariskosten met betrekking tot de algemene coördinatiefunctie, de bonus ter bevordering van de algemene coördinatiefunctie en eventueel aan de daarmee samenhangende werkingskosten. Dit bedrag van 40.000 euro is gekoppeld aan de spilindex 128,11 van 1 december 2023, op basis van 2013 = 100. Dat bedrag wordt aangepast overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
§ 3. De enveloppe bedoeld in de artikelen 218/6, § 1, eerste lid, 3°, en 218/9 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedraagt 20.000,00 euro per voltijds equivalent.
Het forfaitair bedrag dekt de volgende uitgaven :
1° de facturen en honoraria van de zelfstandige dienstverleners;
2° de zendingskosten van de personeelsleden, incluis de reis- en parkeerkosten in België, ten belope van de bedragen toegekend aan de personeelsleden van de administratie;
3° de kosten i.v.m. telefoon- en internetverbindingen en -verbruik;
4° de kantoorkosten, o.a. voor onderhoudsproducten, zegels, documentatie, kantoorbenodigdheden, papier;
5° wasserijkosten, kosten voor de verwijdering van afval, voor sociaal secretariaat, voor boekhoudkundig beheer;
6° de kosten m.b.t. de bijdrage aan een federatie van erkende planningscentra, alsook aan elke andere instelling i.v.m. de opdrachten van de planningscentra;
8° de aankoop van materieel voor een maximumbedrag van vijfhonderd euro, voor zover het gebruik ervan in verband staat met de uitoefening van de opdrachten;
8° de lasten i.v.m. :
a) het bewonen van een gebouw of een gebouwgedeelte, met inbegrip van de lasten i.v.m. het gebruik van het goed (stroom, verwarming, water, gas), voor zover ze voor de hurende planningscentra voortvloeien uit een huurovereenkomst in goede en behoorlijke vorm;
b) de afschrijving of de inrichtingswerken betreffende het onroerende goed aangekocht of gebouwd door een erkend centrum voor gezinsplanning, zoals bedoeld in artikel 218/6, § 2, van van het decreetgevend deel van het Wetboek;
9° de kosten voor de inschrijving op colloquia of vormingen, de reis- en verblijfkosten toegekend op dezelfde grond als die toegekend aan de personeelsleden van de administratie;
10° wanneer de kosten van het colloquium of van de vorming hoger zijn dan vijfhonderd euro of wanneer het colloquium of de vorming in het buitenland plaatsvindt, moet de voorafgaande toestemming van de administratie aangevraagd worden en vergezeld gaan van het programma en van een specifieke begroting om in aanmerking te worden genomen;
11° de diverse taksen en de verzekeringen die niet betrekking hebben op het personeel;
12° de kosten i.v.m. informatie over de activiteiten van het centrum voor gezinsplanning en de verstrekking ervan;
13° de vormings- en supervisiekosten;
14° cafetaria- of kleine cateringkosten;
15° het gewone onderhoud van lokalen en kleine herstellen;
16° de eventuele terugbetaling van vrijwilligers;
17° bankkosten;
18° het aandeel van medisch materiaal, verbruiksgoederen en alle andere kosten die niet door het RIZIV worden gedekt.
Als het gebouw dat door het centrum voor gezinsplanning gebruikt wordt dient voor andere activiteiten dan die welke door de subsidie gefinancierd worden, worden de lasten door het centrum voor gezinsplanning opgesplitst ofwel naar gelang van de tijd die uitgetrokken wordt voor de gefinancierde activiteit, ofwel naar gelang van de daarvoor vereiste oppervlakte.
§ 4. De afschrijving van goederen van het patrimoniale type met een schatbare gebruiksduur van meer dan één jaar komt als werkingskosten in aanmerking voor het voordeel van de toelagen en wordt berekend als volgt :
1° drieëndertig jaar voor de onroerende goederen;
2° tien jaar voor het meubilair;
3° drie jaar voor het informaticamateriaal;
4° vijf jaar voor de overige kantooruitrustingen;
5° drie jaar voor software.
Het afschrijvingsplan wordt pas in aanmerking genomen als het in de boekhouding opgenomen is.
Zoniet komt de aankoop van materiaal niet in aanmerking voor de toelage.
§ 5. Volgende kosten worden in geen geval als werkingskosten in aanmerking genomen :
1° kosten voor taxiritten;
2° restaurant ... of overnachtingskosten;
3° de uitgaven verricht in de vorm van een forfaitair bedrag zonder detail van de prestaties;
4° de aankoop van voertuigen;
5° de vertegenwoordigingskosten tenzij dit soort uitgaven rechtstreeks verband houdt met de subsidie en vooraf door het Agentschap is goedgekeurd;
6° het medische materiaal, verbruiksgoederen en alle andere kosten die geheel door het RIZIV worden gedekt;
7° ...;
8° bankinteresten en beursbeleggingen;
9° aanwezigheidsgeld..
§ 6. ....
§ 7. Het geheel van de aldus berekende bedragen vormt een vaste toelage.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<BWG 2014-05-15/16, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
- (2)<BWG 2024-05-30/30, art. 12, 126; Inwerkingtreding : 24-10-2024>
Verwijst naar
- Code réglementaire wallon de l'Action sociale et de la Santé Art. 218/6