Rechtsbibliotheek en dossieranalyse · Oostenrijk · België · Europese Unie
LAWxPERT Aanmelden Gratis account

Codification des dispositions décrétales relatives à l'ensei · 11 OKTOBER 2013. - Codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs (aangehaald als : Codex Hoger Onderwijs)

Codification des dispositions décrétales relatives à l'ensei Art. II.264

Hoofdstuk 8. Taalregeling — Afdeling 2. Onderwijstaal in initiële bachelor- en masteropleidingen

Van krachtOfficiële tekst

FR (vertaling)NL

§ 1. Een instelling of meerdere instellingen samen kan/kunnen bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde indienen voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Deze aanvraag, samen met het bijhorende dossier, wordt bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend:

1° samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263; ofwel

2° in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten. Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 2, uit te voeren.

Samen met het aanvraagdossier wordt aan de Commissie Hoger Onderwijs een advies bezorgd van de VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, of de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde. Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs wordt bezorgd, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de opleiding in kwestie onontvankelijk. De Commissie Hoger Onderwijs kan binnen een termijn van 15 dagen aan de VLIR of de VLHORA verduidelijkingen vragen over het door hen geleverde advies.

§ 2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende criteria, waaraan cumulatief voldaan moet worden :

1° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat :

a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding;

b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terechtkomen;

2° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers;

3° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren.

In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, § 1, eerste lid, 2°, betreft, geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren.

De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen, antwoordt op alle argumenten die worden aangebracht in het aanvraagdossier en in het advies van de VLIR de VLHORA, en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over het ingediende dossier.

§ 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit :

1° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 1° ;

2° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 2° ;

3° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde betrekking heeft op de afbouw of stopzetting van een bestaande equivalente opleiding : uiterlijk op 31 januari van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de equivalente opleiding wordt afgebouwd of stopgezet.

De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur en aan de Vlaamse Regering.

Bij een negatief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs kan de instelling binnen een vervaltermijn van 15 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de beslissing van de Commissie Hoger Onderwijs, beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen een vervaltermijn van 30 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift.

Bij een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs, tenzij de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 dagen, die ingaat op de dag waarop de Commissie Hoger Onderwijs haar oordeel aan de Vlaamse Regering bezorgt, alsnog negatief oordeelt, of bij een positieve beslissing van de Vlaamse Regering, wordt voor de anderstalige bachelor- of masteropleiding die in het aanvraagdossier is vermeld, van rechtswege een vrijstelling van equivalentie verleend :

1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de procedure, vermeld in artikel II.263;

2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de programmatieprocedure, vermeld in artikel II.153.

Als de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data, vermeld in deze paragraaf, of als de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de momenten, vermeld in deze paragraaf, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn.

Wijzigingsgeschiedenis
  • (1)<DVR 2019-03-01/26, art. 33, 012; Inwerkingtreding : 01-09-2019>