Code belge de la Navigation · 8 MEI 2019. - Belgisch Scheepvaartwetboek
Code belge de la Navigation Art. 2.6.1.11
Deel A van de ISPS-Code en de bepalingen van punt 15.3 tot en met 15.16 van Deel B van de ISPS-Code. — Titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek en titel 4 van boek X van het Wetboek van economische recht
Onderhoud en uitbating
§ 1. Tijdens de duur van de overeenkomst bevindt het zeeschip zich in het volle bezit van de bevrachter, en staat het volstrekt en voor alle doeleinden te zijner beschikking en in alle opzichten onder zijn volledig toezicht.
De bevrachter moet het zeeschip en de scheepstoebehoren onderhouden in een goede staat van herstelling, in een doelmatige gebruikstoestand en overeenkomstig goede onderhoudspraktijk. Hij moet de klasse van het zeeschip in stand houden en ervoor zorgen dat alle nodige certificaten geldig blijven.
De bevrachter moet ervoor zorgen dat ter zake van aansprakelijkheid tegenover derden de vereiste financiële zekerheden of dekkingen voorhanden zijn.
§ 2. De bevrachter moet het zeeschip op zijn kosten en door zijn toedoen bemannen, bevoorraden, besturen, uitbaten en, telkens wanneer nodig, herstellen.
De bevrachter staat in voor alle lasten en kosten, van welke aard ook, die in verband staan met het gebruik en de uitbating van het zeeschip, waaronder vlagstaatvergoedingen en buitenlandse heffingen.
De kapitein en de bemanning zijn voor alle doeleinden aangestelden van de bevrachter, zelfs wanneer zij werden aangeduid door de vervrachter.
§ 3. De bevrachter houdt de vervrachter redelijkerwijze op de hoogte van het voorgenomen gebruik, droogdokking en belangrijke herstellingen.
§ 4. De bevrachter mag het zeeschip op zijn kosten schilderen in zijn kleuren, er zijn herkenningstekens op aanbrengen en zijn eigen vlag voeren.
§ 5. Zonder instemming van de vervrachter mag de bevrachter aan het zeeschip en de scheepstoebehoren geen structurele veranderingen aanbrengen. De vervrachter mag opleggen dat deze wijzigingen bij teruggave ongedaan zijn gemaakt.
§ 6. De bevrachter mag gebruik maken van alle scheepsbestanddelen en scheepstoebehoren, met dien verstande dat hij versleten of beschadigde zaken moet vervangen of herstellen.
§ 7. De bevrachter moet het onderwaterschip in goede staat houden en zet het zeeschip daartoe zo nodig droog.