Rechtsbibliotheek en dossieranalyse · Oostenrijk · België · Europese Unie
LAWxPERT Aanmelden Gratis account

Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales · 13 APRIL 2019. - Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen

Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales Art. 51

Afdeling 3. - De aansprakelijkheid en plichten van sommige ministeriële officieren, openbare ambtenaren en — Onderafdeling 3. - De overige aansprakelijkheden en plichten

Van krachtOfficiële tekst

FRNL

§ 1. In geval van tekortkoming, door een vennootschap of een vereniging zonder winstoogmerk, een internationale vereniging zonder winstoogmerk of een buitenlandse vereniging wanneer deze verenigingen meer dan één van de criteria bedoeld in artikel 3:47, § 2, eerste lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen overschrijden, aan haar verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing of de belasting over de toegevoegde waarde in haar hoedanigheid van belastingplichtige, zijn de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de bedrijfsvoorheffing of de belasting over de toegevoegde waarde indien de tekortkoming te wijten is aan een fout in de zin van artikel 6.6 van het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of rechtspersoon.

Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden uitgebreid naar de andere bestuurders van de vennootschap of rechtspersoon indien in hun hoofde een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de in het eerste lid bedoelde tekortkoming.

Onder bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon in de zin van dit artikel, dient verstaan te worden elke persoon die, in feite of in rechte, de bevoegdheid heeft of heeft gehad om de vennootschap of rechtspersoon te besturen, met uitsluiting van de gerechtsmandatarissen.

§ 2. De herhaalde niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing of de belasting over de toegevoegde waarde door de vennootschap of rechtspersoon wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te vloeien uit een in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde fout.

Onder herhaalde inbreuken op de verplichting tot betaling in de zin van dit artikel, wordt verstaan:

1° inzake bedrijfsvoorheffing, het gebrek aan betaling van ten minste ofwel drie, ofwel twee vervallen schulden binnen een periode van een jaar voor respectievelijk een maandelijkse, dan wel een trimestriële schuldenaar van de voorheffing;

2° inzake belasting over de toegevoegde waarde, het gebrek aan betaling van ten minste ofwel drie, ofwel twee eisbare schulden binnen een periode van een jaar voor een belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van respectievelijk maandelijkse of trimestriële aangiften inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 3. Er is geen vermoeden van fout in de zin van § 2, eerste lid, wanneer de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding.

§ 4. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon kan slechts worden ingeroepen voor de betaling, in hoofdsom, nalatigheidsinteresten en bijbehoren, van de schulden inzake bedrijfsvoorheffing of inzake belasting over de toegevoegde waarde.

§ 5. De rechtsvordering tegen aansprakelijke bestuurders is slechts ontvankelijk indien ze wordt ingesteld na het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf een door de ontvanger bij aangetekende zending verzonden kennisgeving, waarin de geadresseerde verzocht wordt de nodige maatregelen te treffen om de tekortkoming te verhelpen of om aan te tonen dat deze niet het gevolg is van een door hen begane fout.

Deze bepaling verhindert evenwel niet dat de ontvanger, binnen de voormelde termijn, bewarende maatregelen vordert ten laste van het vermogen van de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of rechtspersoon aan wie een kennisgeving is toegezonden.

§ 6. Wanneer een insolventieprocedure geopend is, wordt de vordering bedoeld in het huidig artikel, ingesteld voor de insolventierechtbank bedoeld in artikel I.22 van het Wetboek van economisch recht.

§ 7. Indien een vordering bedoeld in artikel XX.225 van het Wetboek van economisch recht is ingesteld, worden de bedragen die op grond van paragraaf 5 aan de fiscale overheid toekomen, toegerekend op het bedrag dat aan de fiscale overheid wordt toegekend op grond van die vordering.

Wijzigingsgeschiedenis
  • (1)<W 2021-12-20/04, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 07-01-2022>
  • (2)<W 2024-02-07/18, art. 11, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2025>