C.i.cr. · Wetboek van Strafvordering (art. 1–…)
C.i.cr. Art. 108
HOOFDSTUK VIIbis. - (Verhoor van minderjarigen [1 en kwetsbare meerderjarigen]1 die het slachtoffer of — Afdeling 3. - De toekenning van bescherming. <Ingevoegd bij W 2002-07-07/42, art. 5; Inwerkingtreding : 20-
<Ingevoegd bij W 2002-07-07/42, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 20-08-2002> § 1. De Getuigenbeschermingsdienst toetst op aangifte van de politie, de procureur des Konings, de federale procureur, de onderzoeksrechter, de directeur-generaal der Strafinrichtingen, de bedreigde getuige of ambtshalve, doch minimaal om de zes maanden, of er een grond is tot wijziging of intrekking van de toegekende beschermingsmaatregelen en, desgevallend, van de toegekende financiële hulpmaatregelen.
§ 2. De toegekende beschermingsmaatregelen kunnen worden gewijzigd indien deze niet volstaan of indien minder verstrekkende maatregelen volstaan om de bescherming van de bedreigde getuige of de leden van zijn gezin of andere bloedverwanten te verzekeren, en in de gevallen waarin zijn kunnen worden ingetrokken.
§ 3. De aan een persoon toegekende beschermingsmaatregelen kunnen worden ingetrokken indien :
1° hij ervan verdacht wordt een misdrijf te hebben gepleegd na toekenning van de beschermingsmaatregelen;
2° hij na toekenning van beschermingsmaatregelen schuldig is bevonden aan een feit dat een straf van niveau 2 of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, of indien de strafvordering wegens dergelijk feit ten aanzien van hem vervallen is ingevolge toepassing van artikel 216bis of 216ter,
3° hij enige handeling heeft gesteld die afbreuk doet aan de hem toegekende beschermingsmaatregelen;
4° de toegekende beschermingsmaatregelen kunnen bovendien worden ingetrokken indien de bepalingen van het memorandum niet worden nageleefd.
§ 4. De aan een persoon toegekende beschermingsmaatregelen worden in elk geval ingetrokken wanneer deze geen gevaar meer loopt, voor zover dit door de wet als een voorwaarde door toekenning van de toegekende beschermingsmaatregelen wordt omschreven.
...
§ 5. De aan de bedreigde getuigde toegekende financiële hulpmaatregelen kunnen worden gewijzigd indien het bedrag ervan niet volstaat, dan wel een geringer bedrag volstaat om in het onderhoud van de bedreigde getuige en de samen met hem beschermde gezinsleden en andere bloedverwanten te voorzien, en in de gevallen waarin zij kunnen worden ingetrokken. De Getuigenbeschermingscommissie houdt rekening met de specifieke situatie van de betrokken persoon.
§ 6. De aan de bedreigde getuige toegekende financiële hulpmaatregelen kunnen worden ingetrokken indien :
1° de bedreigde getuige zelf in zijn onderhoud en dat van de samen met hem gereloceerde leden van zijn gezin en andere bloedverwanten kan voorzien of had kunnen voorzien, doch dit door eigen fout of nalatigheid heeft verhinderd;
2° in geval van aanwending van voor specifieke doeleinden bestemde gedeelten van de maandelijkse uitkering of van een bijzondere financiële bijdrage, voor andere dan de door de Getuigenbeschermingscommissie bepaalde doeleinden;
3° de bedreigde getuigde overleden is, en de samen met hem gereloceerde gezinsleden en andere bloedverwanten zelf in hun onderhoud kunnen voorzien.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2018-07-22/05, art. 20, 100; Inwerkingtreding : 17-08-2018>
- (2)<W 2026-03-11/03, art. 107, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
Verwijst naar
- C.i.cr. Art. 032
- C.i.cr. Art. 216bis
- C.i.cr. Art. 216ter
- C.i.cr. Art. 5