C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)
C.jud. Art. 328
TITEL II. - Uitoefening van gerechtelijke ambten. — HOOFDSTUK III. - Verhindering en vervanging.
<W 1997-02-17/50, art. 77, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Bij verhindering wordt de hoofdgriffier in de hoven, de rechtbanken , de vredegerechten en de politierechtbanken vervangen door de griffier-hoofd van dienst of de griffier die hij aanwijst .... <W 2007-04-25/64, art. 112, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Wanneer de hoofdgriffier van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing te doen (of wanneer hij overlijdt of zijn ambt neerlegt), wordt in zijn vervanging voorzien, naar gelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, of de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank. <W 2003-05-03/45, art. 34, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
(Bij verhindering van een griffier-hoofd van dienst, kan deze worden vervangen door een griffier die de hoofdgriffier hiertoe aanwijst.) <W 2006-06-10/68, art. 45, 1°, 141; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen , kunnen de betrokken korpschefs, na advies van de betrokken hoofdgriffiers en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, opdracht geven aan :
1° een personeelslid van niveau A of B, zonder zijn toestemming, zijn ambt uit te oefenen in een andere griffie van het rechtsgebied voor een periode van ten hoogste een jaar. De opdracht kan worden hernieuwd ingeval de betrokkene daarin toestemt;
2° een personeelslid van niveau A of B, zonder zijn toestemming, zijn functie uit te oefenen in een andere griffie van het arrondissement voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar;
3° een personeelslid van niveau C of D, zonder zijn toestemming, zijn functie uit te oefenen in een andere griffie van de afdeling, of in een andere griffie van het arrondissement Brussel, Waals-Brabant of Leuven voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar.
De opdrachtbeschikking bedoeld in het vierde lid, wordt opgesteld door de korpschef van het betrokken personeelslid en geeft de redenen van de opdracht op en bepaalt de nadere regels ervan. Indien de toestemming niet vereist is, wordt de betrokken persoon op voorhand gehoord door zijn korpschef.
(Vijfde lid opgeheven). <W 2007-04-25/64, art. 112, 3°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs, van wie geen de hoedanigheid van eerste voorzitter bezit, beslist de eerste voorzitter van het hof van beroep, na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs. Wanneer het een opdracht betreft tussen griffies van twee arbeidsrechtbanken beslist de eerste voorzitter van het arbeidshof na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs. Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs voor wat de overige opdrachten betreft, beslist het College van de hoven en rechtbanken na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs. Indien de toestemming van de betrokkene niet vereist is, wordt hij naar gelang het geval gehoord door de eerste voorzitter of door de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken. De met redenen omklede opdrachtbeschikking wordt opgesteld door de eerste voorzitter van het hof van beroep, de eerste voorzitter van het arbeidshof of door de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.
In alle voormelde gevallen is een nieuwe eedaflegging overbodig.
(Laatste lid opgeheven) <W 2006-06-10/68, art. 45, 2°, 141; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2013-12-01/01, art. 88, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
- (2)<W 2014-05-08/02, art. 114, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
- (3)<W 2026-07-15/03, art. 29, 272; Inwerkingtreding : 02-08-2026>