C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)
C.jud. Art. 330
TITEL II. - Uitoefening van gerechtelijke ambten. — HOOFDSTUK III. - Verhindering en vervanging.
<W 1997-02-17/50, art. 80, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (Onverminderd de toepassing van de artikelen 328 en 329 kan de Minister van Justitie het gerechtspersoneel van het niveau A alsmede de griffiers, een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun griffie, in een andere griffie, een steundienst, in federale overheidsdiensten , beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten ... in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast.) Dezelfde bevoegdheden worden op overeenkomstige wijze, in onderling overleg, uitgeoefend door de betrokken korpschefs en/of de directeur voor wat betreft de opdrachten in een gelijk ambt in hun griffie, een andere griffie of een steundienst. Enkel de minister van Justitie kan een opdracht geven aan personeelsleden van het Hof van Cassatie en aan het gerechtspersoneel een opdracht geven bij het Hof van Cassatie. Naar gelang het geval wordt de met redenen omklede opdrachtbeschikking of beslissing opgesteld door de korpschef van het betrokken personeelslid of door de minister van Justitie. <W 2007-04-25/64, art. 114, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op de hoofdgriffiers wat betreft de opdrachten ((in federale overheidsdiensten) (, beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten) ...), in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. <W 2003-03-26/63, art. 26, 106; Inwerkingtreding : 02-05- 2003> <W 2003-04-10/59, art. 98, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2004-12-27/31, art. 5, 121; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs, van wie geen de hoedanigheid van eerste voorzitter bezit, voor wat betreft een opdracht binnen het rechtsgebied bedoeld in het eerste lid, derde zin, beslist de betrokken eerste voorzitter van het hof van beroep na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs. Wanneer het een opdracht betreft tussen griffies van arbeidsrechtbanken beslist de eerste voorzitter van het arbeidshof na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs. Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs of tussen de betrokken korpschef en de betrokken directeur voor de overige opdrachten bedoeld in het eerste lid, derde zin, beslist het College van de hoven en rechtbanken na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs of directeur. Naar gelang het geval wordt de met redenen omklede beschikking of opdrachtbeslissing opgesteld door de betrokken eerste voorzitter of door de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.
Deze opdrachten gelden voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar.
(Onverminderd de toepassing van artikel 375, blijft het gerechtspersoneel van het niveau A alsmede de griffiers, aan wie aldus opdracht is gegeven, hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten.) <W 2007-04-25/64, art. 114, 2°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2014-04-10/73, art. 34, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
- (2)<W 2026-07-15/03, art. 30, 272; Inwerkingtreding : 02-08-2026>