Rechtsbibliotheek en dossieranalyse · Oostenrijk · België · Europese Unie
LAWxPERT Aanmelden Gratis account

C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)

C.jud. Art. 330bis

TITEL II. - Uitoefening van gerechtelijke ambten. — HOOFDSTUK III. - Verhindering en vervanging.

Van krachtOfficiële tekst

FRNL

<W 2007-04-25/64, art. 115, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Onverminderd de toepassing van de artikelen 328/1 en 329bis kan de minister van Justitie aan de leden en de personeelsleden van het niveau A alsmede aan secretarissen, een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun parket, in het federaal parket, in het parket voor de verkeersveiligheid, in een ander parket, in een steundienst, in een in federale overheidsdiensten, , beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring in regeringscommissies, -instellingen of -diensten of in het secretariaat van de gedelegeerd Europese aanklagers. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast. Dezelfde bevoegdheden worden op overeenkomstige wijze, in onderling overleg, uitgeoefend door de betrokken korpschefs en/of directeur voor wat betreft opdrachten in een gelijk ambt in hun parket, het federaal parket, het parket voor de verkeersveiligheid, een ander parket, een steundienst of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring. Enkel de minister van Justitie kan een opdracht geven aan personeelsleden van het Hof van Cassatie en aan het gerechtspersoneel een opdracht geven bij het Hof van Cassatie. Naar gelang het geval wordt de met redenen omklede opdrachtbeslissing opgesteld door de korpschef van het betrokken personeelslid of door de minister van Justitie.

Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs, van wie geen de hoedanigheid van procureurgeneraal bezit, voor wat betreft een opdracht binnen het rechtsgebied bedoeld in het eerste lid, derde zin, beslist de betrokken procureur-generaal na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs. Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs of tussen de betrokken korpschef en de betrokken directeur voor de overige opdrachten bedoeld in het eerste lid, derde zin, beslist het College van het openbaar ministerie na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs of directeur. Naar gelang het geval wordt de met redenen omklede opdrachtbeslissing opgesteld door de betrokken procureur-generaal of door de voorzitter van het College van het openbaar ministerie.

Deze opdrachten gelden voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar.

Onverminderd de toepassing van artikel 375, blijft het gerechtspersoneel van het niveau A alsmede de secretarissen, aan wie aldus opdracht is gegeven, hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten.

Wijzigingsgeschiedenis
  • (1)<W 2014-05-08/02, art. 14, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  • (2)<W 2014-04-10/73, art. 35, 187; Inwerkingtreding : 10-06-2014>
  • (3)<W 2019-05-05/10, art. 103, 226; Inwerkingtreding : 24-05-2019>
  • (4)<W 2021-12-23/07, art. 53, 238; Inwerkingtreding : 09-01-2022>
  • (5)<W 2026-07-15/03, art. 31, 272; Inwerkingtreding : 02-08-2026>