Rechtsbibliotheek en dossieranalyse · Oostenrijk · België · Europese Unie
LAWxPERT Aanmelden Gratis account

C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)

C.jud. Art. 330ter

TITEL II. - Uitoefening van gerechtelijke ambten. — HOOFDSTUK III. - Verhindering en vervanging.

Van krachtOfficiële tekst

FRNL

<ingevoegd bij W 2006-06-10/68, art. 50; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de hoofdgriffier, een personeelslid van zijn griffie dat geslaagd is (in de vergelijkende selectie bedoeld in artikel 264), opdracht geven voor een bepaalde en beperkte tijd het ambt van griffier uit te oefenen. <W 2007-04-25/64, art. 116, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

§ 2. De Minister van Justitie kan tevens aan de personeelsleden van een griffie (een parketsecretariaat of een steundienst) een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun eigen of in een andere griffie of parketsecretariaat, evenals in federale overheidsdiensten, beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagname en de Verbeurdverklaring of in het secretariaat van de gedelegeerd Europese aanklagers. De bevoegdheden bedoeld in de eerste zin worden voor wat betreft de personeelsleden van een griffie of van een steundienst bij de zetel, op overeenkomstige wijze, in onderling overleg, uitgeoefend door de betrokken korpschefs of door de betrokken korpschef en de betrokken directeur voor opdrachten in een gelijk ambt in de eigen griffie, in een andere griffie, in een steundienst bij een rechtscollege of in de gemeenschappelijke steundienst bedoeld in artikel 183. De bevoegdheden bedoeld in de eerste zin worden voor wat betreft de personeelsleden van een parketsecretariaat of van een steundienst bij het openbaar ministerie, op overeenkomstige wijze, in onderling overleg, uitgeoefend door de betrokken korpschefs of door de betrokken korpschef en de betrokken directeur voor opdrachten in een gelijk ambt in het eigen parketsecretariaat, in een ander parketsecretariaat, in een steundienst bij een parket, in de gemeenschappelijke steundienst bedoeld in artikel 185 of in het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring. Enkel de minister van Justitie kan een opdracht geven aan personeelsleden van het Hof van Cassatie en aan het gerechtspersoneel een opdracht geven bij het Hof van Cassatie. Naar gelang het geval wordt de met redenen omklede opdrachtbeschikking of -beslissing opgesteld door de korpschef van het betrokken personeelslid of door de minister van Justitie. <W 2007-04-25/64, art. 116, 2°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

Alleen een personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden om tot de met het hoger ambt overeenstemmende graad te worden benoemd, kan voor het uitoefenen van dat ambt worden aangewezen.

Enkel bij gebrek aan een personeelslid in de griffie of het parketsecretariaat dat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in vorig lid, kan een personeelslid dat niet voldoet aan deze voorwaarden, bij aanstellingsakte, worden aangewezen voor de uitoefening van een hoger ambt.

Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs van wie geen de hoedanigheid van eerste voorzitter of procureur-generaal bezit, voor wat betreft een opdracht bedoeld in het eerste lid, tweede of derde zin, van een personeelslid van een griffie of een parketsecretariaat binnen het rechtsgebied beslist de eerste voorzitter van het hof van beroep respectievelijk de procureur-generaal na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs. Wanneer het een opdracht betreft tussen griffies van arbeidsrechtbanken beslist de eerste voorzitter van het arbeidshof na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs. Bij gebrek aan consensus tussen de betrokken korpschefs of tussen de betrokken korpschef en de betrokken directeur voor de overige opdrachten bedoeld in het eerste lid, tweede of derde zin, beslist het bevoegde College na een met redenen omkleed advies van de betrokken korpschefs of directeur. Naar gelang het geval wordt de met redenen omklede opdrachtbeschikking of -beslissing opgesteld door de betrokken eerste voorzitter, procureur-generaal of door de voorzitter van het bevoegde College.

De opdrachten in een gelijk ambt zijn geldig voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar.

§ 3. Een opdracht tot het uitoefenen van een hoger ambt bedoeld in § 2, kan slechts worden toegekend in geval een betrekking open staat of tijdelijk niet waargenomen is. In geval van toekenning naar aanleiding van een openstaande betrekking is vereist dat de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking wordt ingezet.

Teneinde de continuïteit van de dienst te verzekeren kan de minister van Justitie evenwel op voorstel van het betrokken College of het directiecomité van de Entiteit Cassatie, in afwijking van het voorgaande lid, opdrachten in bovental toekennen om tegemoet te komen aan bijzondere behoeften of bijstand te leveren aan bijkomende magistraten.

De toekenning van een opdracht in een hoger ambt geschiedt voor maximum zes maanden. Deze toekenning kan maximaal driemaal worden verlengd met een zelfde termijn van ten hoogste zes maanden.

In afwijking hiervan kan de toekenning bij het verstrijken van de derde verlenging gehandhaafd worden :

a) indien de betrekking niet in vast verband kon worden verleend;

b) bij opdrachten in toepassing van het tweede lid, door de Minister van Justitie in bovental toegekend;

c) in behoorlijk verantwoorde uitzonderlijke gevallen.

§ 4. De personeelsleden aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Voor wat betreft de opdrachten bedoeld in § 2, ontvangen de personeelsleden daarenboven een toelage voor het uitoefenen van een hogere functie.

Wijzigingsgeschiedenis
  • (1)<W 2019-05-05/10, art. 104, 226; Inwerkingtreding : 24-05-2019>
  • (2)<W 2026-07-15/03, art. 33, 272; Inwerkingtreding : 02-08-2026>