C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 664–1385)
C.jud. Art. 1244
Afdeling 1. [1 - Procedure van toepassing op de rechterlijke bescherming]1 — Onderafdeling 2. [1 - Verloop van de gerechtelijke procedure]1
§ 1. De rechter onderzoekt het verzoek.
§ 2. Hij roept ambtshalve de verzoeker op wanneer deze vraagt gehoord te worden.
Hij kan geen maatregel bevelen die raakt aan de bekwaamheid van de beschermde persoon of van de te beschermen persoon in de zin van artikel 491, e), van het Burgerlijk Wetboek zonder hem voorafgaandelijk te hebben opgeroepen, tenzij deze in de onmogelijkheid verkeert om zich te verplaatsen.
Hij kan bovendien de personen bedoeld in het eerste en tweede lid, de lasthebber, de bewindvoerder of bewindvoerders, de vertrouwenspersoon en de personen die zijn vermeld in artikel 1240, § 1, 4°, zelfs ingeval zij niet met de beschermde of de te beschermen persoon samenleven, oproepen telkens hij dit nuttig acht. Deze personen kunnen eveneens vrijwillig ter zitting verschijnen.
De oproepingen worden ter kennis gebracht door de griffier. Bij de oproepingen worden een afschrift van het verzoekschrift en desgevallend, een afschrift van de verklaring bedoeld in artikel 496 van het Burgerlijk Wetboek gevoegd.
De personen die worden opgeroepen en diegenen die overeenkomstig het derde lid vrijwillig zijn verschenen worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. Zij worden hiervan op de hoogte gebracht in de oproeping of, bij gebrek ervan, ter zitting.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2018-12-21/09, art. 60, 174; Inwerkingtreding : 01-03-2019>