Code de la démocratie locale et de la décentralisation (Text Art. L4142-1
HOOFDSTUK II. - [1 Kandidaatstellingen]1 — Afdeling 1. - [1 Verkiesbaarheid en onverenigbaarheden]1
§ 1. Onder voorbehoud van de specifieke voorwaarden vernoemd in onderstaande leden, moet men, om tot gemeenteraadslid, provincieraadslid, sectorraadslid verkozen te kunnen worden en blijven, kiezer zijn, de in artikel L4121-1 van dit Wetboek of artikel 1bis van de gemeentekieswet bedoelde kiesbevoegdheidsvoorwaarden behouden en niet in één van de uitsluitings- of opschortingsgevallen bepaald in de artikelen L4121-2 en L4121-3 van dit Wetboek verkeren, uiterlijk de dag van de verkiezing.
Om tot provincieraadslid gekozen te kunnen worden, moet men daarnaast ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een gemeente van de provincie. Voor de toepassing van dit artikel dient de nationaliteitsvoorwaarde vernoemd in artikel L4121-1 vervuld te zijn uiterlijk de dag van de voordracht van de kandidaatstellingen.
Zo ook dient de voorwaarde van inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente en het verblijfsregister in de betrokken sector vervuld te zijn uiterlijk 1 augustus van het jaar waarin de verkiezingen plaatsvinden.
§ 2. Niet verkiesbaar zijn :
1° zij die door veroordeling ontzet zijn uit het recht om gekozen te worden;
2° zij die uitgesloten of geschorst zijn van de kiesbevoegdheidsvoorwaarde bij toepassing van de artikelen L4121-2 en 3;
3° de onderdanen van de andere lidstaten van de Europese Unie die, ten gevolge van een individuele burgerrechtelijke of een strafrechtelijke beslissing in hun staat van herkomst ontheven zijn van het recht om gekozen te worden krachtens het recht van die staat;
4° zij die, onverminderd de toepassing van de bepalingen vermeld in 1° en 2°, veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, wegens één van de in de artikelen 240, 241, 243 en 245 tot 248 van het Strafwetboek omschreven misdrijven, gepleegd in de uitoefening van een plaatselijk ambt; waarbij deze onverkiesbaarheid eindigt twaalf jaar na de veroordeling;
5° zij die veroordeeld zijn voor overtredingen zoals bedoeld bij de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden of op grond van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd, waarbij die onverkiesbaarheid verstrijkt achttien jaar na de veroordeling;
6° zij die onverminderd de toepassing van de bepalingen van 1° en 2° bestuurders van een vereniging waren op het ogenblik van de feiten ten gevolge waarvan ze veroordeeld is, zelfs onder opschortende voorwaarden, voor één van de overtredingen bepaald bij de wet van 30 juli 1981 of de wet van 23 maart 1995, waarbij die onverkiesbaarheid verstrijkt achttien jaar na de veroordeling.
Vorig lid wordt niet toegepast op de bestuurders die bewijzen dat ze de feiten niet kenden op grond waarvan de veroordeling waarvan sprake is uitgesproken of dat ze, wanneer ze er kennis van hebben gekregen, onmiddellijk hun ontslag uit elk ambt in die rechtspersoon aangeboden hebben;
7° de uittredend provinciegouverneur binnen de twee daarop volgende jaren;
8° zij die van hun mandaat vervallen zijn overeenkomstig de artikel L5431-1, waarbij die onverkiesbaarheid verstrijkt zes jaar na kennisgeving van de beslissing van de Regering, of diens afgevaardigde, waarbij dat verval vastgesteld wordt;
9° in de gemeente(n) waarin hij zijn functie uitoefent, de directeur-generaal, de directeur-generaal van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de financieel directeur, de financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de gewestelijke ontvanger;
10° in één van de gemeenten van de provincie waarin hij zijn functie uitoefent, de directeur-generaal en de financieel directeur.
§ 3. Zo ook zijn de politieambtenaren overeenkomstig artikel 127 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, niet verkiesbaar.
§ 4. In de provincieraad kunnen niet verkozen worden :
1° zij die lid zijn van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Europees Parlement, een Gewestof Gemeenschapsparlement;
2° de federale ministers en staatssecretarissen;
3° de leden van een Gewest- of Gemeenschapsregering;
4° de Europese commissarissen.
§ 5. Onverminderd paragraaf 1 moet uiterlijk op het tijdstip van de voorlopige vaststelling van de lijsten aan de verkiesbaarheidsvereisten zijn voldaan.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<DWG 2006-06-01/31, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 09-06-2006>
- (2)<DWG 2006-06-01/31, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
- (3)<BWG 2007-12-20/68, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 24-01-2008>
- (4)<DWG 2013-04-18/19, art. 45, 040; Inwerkingtreding : onbepaald, bij de hernieuwing van de gemeente- en
- provincieraden van 2018>
- (5)<DWG 2023-06-01/29, art. 122, 105; Inwerkingtreding : 14-09-2023>