C. pén. soc. · 6 JUNI 2010. - Sociaal Strafwetboek
C. pén. soc. Art. 218
HOOFDSTUK 9. - Inbreuken betreffende de sociale zekerheid — Afdeling 4. - Financiering van de sociale zekerheid
Niet betaling van de diverse bijdragen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die :
1° nagelaten heeft de voorschotten van sociale zekerheidsbijdragen en de sociale zekerheidsbijdragen te storten aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid binnen de door de Koning vastgestelde termijn, met toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° de bijzondere werkgeversbijdrage op de aanvullende vergoeding in het kader van het conventioneel brugpensioen niet binnen de in 1° bedoelde termijnen heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen;
3° de bijzondere werkgeversbijdrage op de aanvullende vergoeding bij sommige sociale zekerheidsuitkeringen niet binnen de in 1° bedoelde termijnen heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen;
4° de bijzondere compenserende maandelijkse werkgeversbijdrage niet binnen de in 1° bedoelde termijnen heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, met toepassing van de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen;
5° in strijd met de wet van 27 december 2006 (I) houdende diverse bepalingen, de inhouding op de aanvullende vergoeding in het raam van een conventioneel brugpensioen of op de aanvullende vergoeding bij sommige sociale zekerheidsuitkeringen niet elk kwartaal heeft gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
6° de verschillende bijdragen, gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd krachtens de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers niet heeft gestort;
7° in strijd met het koninklijk besluit van 23 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een solidariteitsbijdrage op de tewerkstelling van studenten die niet onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers, met toepassing van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, de solidariteitsbijdrage op het loon van studenten, bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet heeft gestort binnen de door de Koning vastgestelde termijnen in uitvoering van de voormelde wet van 26 juli 1996;
8° de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid die verschuldigd is krachtens de artikelen 106 tot 112 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, niet gestort heeft;
9° heeft nagelaten de bijzondere bijdrage te betalen die verschuldigd is krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 november 1996 tot instelling van een bijzondere werkgeversbijdrage ter financiering van het stelsel van de tijdelijke werkloosheid en de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, in toepassing van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;
10° heeft nagelaten de bijdragen bedoeld in artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers te storten.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2024-05-15/19, art. 118, 068; Inwerkingtreding : 01-07-2024>