C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)
C.jud. Art. 315
TITEL II. - Uitoefening van gerechtelijke ambten. — HOOFDSTUK I. - Rangorde en voorrang.
Ieder magistraat en ieder griffier van de rechterlijke orde die in zijn ambt wordt hersteld na het te hebben neergelegd, kan door de Koning worden gemachtigd om op de ranglijsten, voorgeschreven bij de artikelen 310, 311 en 312, de plaats in te nemen die hij zou hebben bekleed indien hij zijn ambt niet had neergelegd.
(Als een militair magistraat wordt benoemd of aangewezen bij het openbaar ministerie van de rechtbank van eerste aanleg of van de arbeidsrechtbank, heeft hij rang vanaf de datum van zijn benoeming of aanwijzing in die hoedanigheid bij de krijgsraad.
Derde lid opgeheven.
Als een lid van de griffie van een krijgsraad wordt benoemd tot lid van de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de ondernemingsrechtbank, het vredegerecht of de politierechtbank, heeft hij rang vanaf de datum van zijn benoeming in die hoedanigheid bij dezelfde krijgsraad.) <W 1994-12-21/31, art. 143, 037; Inwerkingtreding : 1995-03-01>
(Het tweede en derde lid gelden niet voor de magistraten van de tijdelijke personeelsformatie van het Militair Gerechtshof, voor de griffiers en het griffiepersoneel van de tijdelijke personeelsformatie van het auditoraat bij de krijgsraad of van het Militair Gerechtshof, voor de secretarissen en het personeel van de tijdelijke personeelsformatie van het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof.) <W 2003-04-10/59, art. 95, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2013-12-01/01, art.83, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
- (2)<W 2014-05-08/02, art. 113, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
- (3)<W 2018-04-15/14, art. 252, 216; Inwerkingtreding : 01-11-2018>