C.jud. · Gerechtelijk Wetboek (art. 58–555)
C.jud. Art. 391
TITEL IV. - Inruststelling, pensionering en emeritaat. — HOOFDSTUK II. - Pensioen en emeritaat.
De magistraat die wegens de in artikel 383 bepaalde leeftijd in ruste is gesteld en dertig jaren dienst heeft waarvan ten minste vijftien in de magistratuur, heeft aanspraak op het emeritaat.
(Het emeritaatspensioen is gelijk aan de referentiewedde bepaald in artikel 8, § 1, van de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844. (Voor de toepassing van het tweede en het vierde lid van die bepaling worden de in artikel 58bis, 2°, 3° en 4° en in de artikelen 33 en 34 van de COIV-wet bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen).) <W 1999-01-25/32, art. 234, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2003-05-03/45, art. 50, 110; Inwerkingtreding : 02-08-2000; zie ook art.61>
Heeft de magistraat geen dertig jaren dienst, dan wordt het pensioen met een dertigste verminderd voor ieder jaar dat hij te kort komt om dat getal te bereiken.
....
(Het ambt uitgeoefend op grond van artikel 383bis wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van het pensioen.) <W 17-07- 1984, art. 10>
Wijzigingsgeschiedenis
- (1)<W 2018-02-04/04, art. 52, 218; Inwerkingtreding : 01-07-2018>
- (2)<W 2026-05-30/02, art. 99, 269; Inwerkingtreding : 01-06-2026>